Tolerantie in de Islam

Prof. P.S. van Koningsveld

Voordracht gehouden ter gelegenheid van het 25-jarige jubileum van de Ahmadiyya Vereniging in Amsterdam op 28 november 2003

Inleiding

Formele Tolerantie en Civil Religion

Inhoudelijke Tolerantie

De oorsprong van het begrip “Tolerantie van de Islam”

Maatschappelijke en Politieke Discussies over “De Tolerantie van de Islam”

Interne en Externe Tolerantie

Het Leergezag

Externe Tolerantie

Interne Tolerantie

Overleg tussen Overheid en Moslims in Nederland

 

Het moderne begrip “tolerantie” drukt de gedachte uit van een verzoenende en begripvolle omgang met “de ander”. Hoewel het begrip “tolerantie” als zodanig van Europese oorsprong is, is de gedachte die erin tot uitdrukking wordt gebracht, aanwezig in alle beschavingen.

In de cultuur- en godsdienstgeschiedenis kan een onderscheid worden gemaakt tussen formele tolerantie enerzijds en inhoudelijke tolerantie anderzijds.  

Formele Tolerantie en Civil Religion

 Van formele tolerantie was bijvoorbeeld sprake sinds de 16de eeuw wanneer een staat koos voor de officiële erkenning van een bepaalde Protestantse kerk, terwijl de Katholieke Kerk of ook andere Protestantse kerken daarnaast werden geduld. Wij kunnen stellen dat ook het huidige stelsel van godsdienstvrijheid in Nederland van formele aard is. Weliswaar bestaat er geen officieel erkende staatskerk meer, maar deze is thans vervangen door een stelsel van grondrechten en grondplichten die voor alle burgers en ingezetenen gelijkelijk gelden en die tezamen wel de “godsdienst van de burgers van Nederland”, naar de Engelse uitdrukking hun “civil religion” vormen. Het begrip “godsdienst” hier op het eerste gezicht wellicht minder gelukkig gekozen, omdat het hier niet gaat om principes die zijn geopenbaard. Deze civil religion onderscheidt zich immers in de eerste plaats door de eerbiediging van de mensenrechten, in het bijzonder het non-discriminatie beginsel in het eerste artikel van onze Grondwet. Alleen met inachtneming en binnen het kader van deze hogere normen en waarden van de “burgerlijke godsdienst” en binnen de grenzen van de wet in het algemeen, hebben de burgers en ingezetenen van Nederland bijvoorbeeld recht op het in vrijheid belijden van hun overige, specifieke religieuze  of levensbeschouwelijke overtuigingen.  

Inhoudelijke Tolerantie

 Binnen de tolerantie in formele zin wordt geen uitspraak gedaan over de waarheid of geldigheid van de uiteenlopende religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen die naast elkaar en op voet van gelijkheid worden getolereerd. De inhoudelijke tolerantie gaat echter verder en benadrukt, in zijn uiterste vorm, dat op de existentiële vragen die het menselijke bestaan opwerpt, door verschillende godsdiensten en filosofische stelsels verschillende antwoorden woorden gegeven die alle in principe gelijkwaardig zijn. Deze relativistische opvatting vindt men met name binnen de hedendaagse liberaal-vrijzinnige stromingen van de verschillende godsdiensten, inclusief de hedendaagse liberale islam. Deze stromingen plegen zich sterk op de moderne vergelijkende godsdienstwetenschap te oriënteren, waarbinnen geloofsleer, symbolen en rituelen, evenals de religieus gefundeerde sociale ethiek van verschillende tradities in een vergelijkend kader worden geplaatst en de nadruk, naast verschillen, vooral ook op overeenkomsten komt te liggen.  

De oorsprong van het begrip “Tolerantie van de Islam”

(Samâhat al-Islâm)

 De letterlijke Arabische vertaling van het Europese begrip “tolerantie”, al-samâha, vindt men voor het eerst in islamitische geschriften van het einde van de 19de eeuw. In deze geschriften verdedigden islamitische auteurs, zoals bijvoorbeeld de vermaarde Egyptische geleerde Mohammed Abduh, de “tolerantie van de islam” (“samâhat al-islâm”)  tegen de kritiek op de islam zoals deze in geschriften van Europese auteurs, bijvoorbeeld van de Franse oriëntalist Ernest Renan, naar voren was gebracht. Westerse schrijvers als Renan “verklaarden” hetgeen zij zagen als de “achterlijkheid” van de islamitische wereld vanuit hetgeen zij bestempelden als de “onverdraagzaamheid”, de “starheid”, het “obscurantisme” en ook wel de “gewelddadigheid” van de islam. Om deel te nemen aan de moderne cultuur en wetenschap zou de islamitische wereld zich van de islam moeten “emanciperen”. Apologeten van de islam als Mohammed Abduh namen in hun verdediging, zoals gezegd, het Europese begrip “tolerantie” over en gaven dit in het Arabisch door het begrip al-samâha weer.Ze onder andere op de grote bloeitijd van de Arabisch-islamitische beschaving, op de historische tolerantie van de zijde van islamitische staten ten opzichte van niet-islamitische minderheden als joden en christenen en op de grondregel van de Koran dat “er geen dwang bestaat in de godsdienst” (“lâ ikrâha fî ‘l-dîn”).  

Maatschappelijke en Politieke Discussies over “De Tolerantie van de Islam”

 De behoefte om de “tolerantie van de islam” te verdedigen stond dus bij islamitische denkers vanaf het begin in een bij uitstek  apologetisch kader. Het ging erom de islam als godsdienst te verdedigen tegen kritiek van buiten, vooral van westerse zijde. Deze behoefte is sindsdien onverminderd blijven bestaan en in de huidige tijd zelfs aanzienlijk toegenomen, ook in sommige politieke discussies in Nederland. Men kan niet ontkennen dat een ernstige en diepgaande discussie rond de vraag of deze of gene richting van geloof of levensfilosofie wel of niet “tolerant” is,  voor alle betrokkenen uiterst relevant kan zijn. Maar als maatschappelijke en vooral als politieke gedachtewisseling moet deze discussie mijns inziens als vals worden beschouwd.

De vraag waarom het in samenleving en politiek gaat of moet gaan is niet of deze of gene geloofsopvatting of geloofsregel nu “tolerant “ is of niet. Dat zal hij, binnen tradities, zowel bijvoorbeeld christelijke als islamitische, met een exclusieve aanspraak op waarheid en heil, juist vaak niet zijn. Dit is een ieder voldoende bekend. Relevant is vooral binnen de Nederlandse of Europese context of belijders van uiteenlopende overtuigingen, zowel islamitische als niet-islamitische, die het absolute gelijk voor zich opeisen bereid zijn het systeem van de civil religion te eerbiedigen en daarmee de basis in stand willen houden van een moderne democratische rechtsstaat. Ik vrees dat vele discussies over de “tolerantie” van de islam in wezen over de vraag gaan of er binnen een Europese maatschappij überhaupt plaats is voor moslims, en dus als pseudo-theologische discussies ten diepste een racistisch karakter hebben.  

Interne en Externe Tolerantie

 Voor een objectievere en vruchtbaarder benadering van het vraagstuk stel ik voor aansluiting te zoeken bij het onderscheid dat in de encyclopedie van de godsdienstwetenschappen, zoals bijvoorbeeld de Encyclopaedia of Religion and Ethics, wordt aangebracht tussen externe en interne tolerantie. Dit onderscheid kan godsdiensthistorisch voor alle religieuze tradities worden uitgewerkt. Toegepast op de leer van de islam gaat het bij de studie van de externe tolerantie om de relaties tussen moslims en niet-moslims, bij een onderzoek naar de interne tolerantie om de relaties tussen moslims onderling. Vanuit het theoretische stelsel staan, als het gaat om de relaties tussen moslims en niet-moslims, de discussies van de geleerden over het leerstuk van de zogenaamde djihâd (de religieus gesanctioneerde strijd of oorlog) en al hetgeen daarmee samenhangt, centraal. Voor at betreft de interne tolerantie richt het onderzoek zich vooral op het leerstuk van de takfîr (verkettering, bestempeling tot ongelovige[n]) en al hetgeen daarmee samenhangt, dus op de vraag welke variatie van opvattingen binnen de islam is toegestaan en wie zich wel of nog wel, wie zich daarentegen niet of niet meer moslim mag noemen. De discussies rond beide leerstukken zijn, zoals zal blijken, ook voor de actuele situatie in Nederland relevant. 

Het Leergezag

 Alvorens op de bedoelde discussies in te gaan, wijs ik er nog op dat men de leer van de islam nooit op wetenschappelijk adequate wijze aan de orde kan stellen door op grond van enkele verzen uit de Koran, al dan niet gevolgd door enkele citaten van uitspraken van de stichter van de islam, conclusies te trekken aangaande de visie van de islam. Deze naďeve werkwijze wordt weliswaar door talrijke, doorgaans ongeschoolde discussianten binnen en buiten de media veelvuldig toegepast, maar resulteert steevast in karikaturen. De belangrijke leerstukken van de islam zijn immers, evenals die van andere grote godsdienstige tradities, eeuwenlang voorwerp van onderzoek en discussie geweest en werden tijdens die discussies steeds weer opnieuw geformuleerd. Dit proces van onderzoek en herinterpretatie gaat tot op de huidige tijd onverminderd voort en heeft geleid, ook waar het de djihad en de takfîr betreft, tot uiteenlopende gezichtspunten die in uiteenlopende mate gezaghebbend zijn geworden. Het schier onoverkomelijke probleem waarmee vele journalisten en politici worstelen is het ontbreken van een centrale instantie in de islam die bekleed is met leergezag. Kan men zich voor wat betreft de officiële leer van de Rooms-Katholieke kerk bijvoorbeeld gemakkelijk oriënteren op uitspraken van “Rome”, in de islam bestaat, zoals bekend, geen paus en hebben we, in plaats van een centraal leergezag, te maken met een veelheid van verschillende centra waar geleerden met uiteenlopende inzichten met elkaar in continue discussie en competitie zijn. Dit verplicht ons om studie te maken van al die discussies en de relatieve betekenis ervan voor de belijders va de islam, willen we een verantwoord beeld over de “leer van de islam” verkrijgen. Sinds het einde van de 18de eeuw hebben de leerstukken van de djihâd (de religieus gesanctioneerde strijd of oorlog) en de takfîr (verkettering) belangrijke ontwikkelingen doorgemaakt . 

Externe Tolerantie

De gedachte dat de wereld kan worden ingedeeld in een “Gebied van de Islam” (Dâr al-Islâm) en een “Gebied van het Ongeloof” (Dâr al-Kufr) ook wel genoemd “Gebied van de Oorlog” (Dâr al-Harb) is een voorstelling die in de klassieke leer van de djihâd, ongeveer tot aan het einde van de 19de eeuw, dominant is. De grondgedachte was dat de gehele wereld uiteindelijk tot en onder de islam moest worden gebracht, allereerst via prediking (da’wa), maar waar nodig ook door strijd (djihâd). Deze zwart-wit visie op de wereld is niet rechtstreeks ontleend aan de Koran, maar door islamitische wetgeleerden in het licht van de toenmalige internationale machtsverhoudingen tussen het islamitische rijk en de wereld daarbuiten ontwikkeld.

Het zijn de gewijzigde internationale verhoudingen geweest, allereerst het koloniale stelsel, vervolgens de ontmanteling van het Turks-Ottomaanse Kalifaat en tenslotte de dekolonisatie na de Tweede Wereldoorlog, gevolgd, niet te vergeten, door het ontstaan van de Verenigde Naties, die tot herbezinning op deze door de feiten volstrekt achterhaalde wereldvisie aanleiding hebben gegeven. In het voormalige Brits-Indië behoorde de Ahmadiyya-beweging aan het einde van de 19de eeuw tot de vroegste kringen waarin de djihâd als religieus gesanctioneerde strijd voortaan werd afgewezen. Deze ontwikkeling is door andere schriftgeleerden binnen de soennitische zowel als de sjiďetische islam gevolgd, allereerst door her-interpretatie van de djihâd als uitsluitend defensieve plicht, dus tot verdediging van het land wanneer het wordt aangevallen.

In meer fundamentele zin is de hiervoor geciteerde tweedeling van de wereld in een “Gebied van de Islam” enerzijds en een “Gebied van het Ongeloof” anderzijds aan de orde gesteld door wetgeleerden in discussies over het gezag van de moderne natiestaten in de islamitische wereld en vooral ook over de positie van moslims die als minderheden in het Westen woonachtig zijn. Zij sloten in hun bespiegelingen aan bij vele eerdere discussies, want het verschijnsel van islamitische gemeenschappen onder niet-islamitische overheden is vele eeuwen ouder dan de 20ste eeuw. Die eerdere discussies hadden wel tot incidentele nuanceringen van het wereldbeeld geleid, maar tot een echte doorbraak was het niet gekomen.

 Het resultaat van de discussies die na de Tweede Wereldoorlog werden gevoerd, ook in de Verenigde Staten en Europa, is thans een groeiende consensus over het achterhaalde karakter van de bedoelde tweedeling. De betreffende terminologie is als het ware geďmplodeerd en wordt door de leidinggevende geleerden van deze tijd niet meer gebruikt. Sommigen van hen stellen dat de gehele wereld een gebied is voor vreedzame geloofsverkondiging (Dâr al-Da´wa’) of gaan verder en stellen zelfs dat landen zoals Frankrijk of Nederland, gelet op de daar heersende godsdienstvrijheid in de klassieke termen van de religieuze Wet eerder te kwalificeren zijn als Dâr al-Islâm dan landen als Egypte of Tunesië waar moslims om hun geloof nog steeds worden vervolgd. De djihâdleer in eigenlijke zin verkrijgt bij deze geleerden een bij uitstek defensief karakter. Wat zich hier ontwikkelt is een religieus-staatkundige visie waarbinnen de islam zich voegt naar het internationale verband van staten en uiteindelijk ook naar het systeem van de seculiere natiestaat. Dit is een ontwikkeling die onder meer wordt bevorderd door de American Fiqh Council en de Europese Raad voor Fatwa´s en Onderzoek. Onder meer vanuit deze centra wordt een interpretatie van de religieuze Wet van de islam ontwikkeld die de eerbiediging van de moderne democratische rechtsstaat tot uitgangspunt heeft.

Tegelijkertijd blijft echter sprake van het voortleven van de oude djihad-leer in verschillende gedaanten, een verschijnsel waarvoor onder andere de invloed van het strenge, Wahhabietische land Saoedi-Arabië, niet in de laatste plaats dankzij haar onuitputtelijke financiële middelen, verantwoordelijk moet worden gesteld. Hoewel met name deze traditie en de gewelddadige handelingen die zich daarop beroepen het wereldnieuws in onze tijd blijven beheersen, mag er niet aan worden voorbijgegaan dat de leer waarop zij zich beroepen in toenemende mate binnen de islam zelf als obsoleet geldt.

Interne Tolerantie

 Zoals de Koran geen uitgewerkte djihadleer bevat, zo bevat hij ook geen uitgewerkte regels om in alle omstandigheden van het leven vast te stellen waar precies de grens ligt tussen islam en ongeloof. Moslims worden in de Koran beschreven als “degenen die geloven en heilzame (of goede) werken verrichten”. Over de exacte inhoud van dit geloof en de precieze aard van deze werken is eeuwenlang gediscussieerd: gaat het bij dit geloof om enkele hoofdpunten die eveneens in de Koran worden vermeld of moeten daartoe ook andere kwesties worden gerekend die in latere tijd, aanknopend bij Koran en Traditie, werden geformuleerd? Dezelfde vragen speelden terzake van de genoemde “werken”: ging het daarbij om de zuiver religieuze “werken”, zoals de dagelijkse gebeden, het vasten, de spijswetten en dergelijke, of ook om de sociale ethiek van de islam, bijvoorbeeld in zijn opvattingen over familie en samenleving? Een klassiek-islamitische opvatting, ontleend aan een uitspraak van de Profeet luidt voorts dat de islam, als zuiver monotheďstisch geloof in feite de godsdienst is waartoe elk mens van nature geneigd is. Daarom werd en wordt bij de overgang van een niet-moslim tot de islam wel gesteld dat deze zijn islam “openbaar heeft gemaakt”, vanuit de zojuist vermelde overtuiging dat deze ten diepste in hem, zoals in elk mens, altijd aanwezig was.

 De aard van “geloof” en “werken” en de verhouding tussen die twee speelden in de religieuze discussies binnen de islam een belangrijke rol. De opvattingen waartoe deze discussies leidden kunnen worden afgezet op een schaal van “interne tolerantie”. Aan het ene uiterste van de schaal staat de visie die leert dat het aan moslims niet vrij staat om te oordelen over het geloof van een medemens. Wie belijdt moslim te zijn moet op zijn woord worden geloofd. Het is alleen de Schepper die in de harten van de mensen kan zien. Aan Hem behoort het oordeel, ook als de mens bij de vervulling van zijn/haar religieuze plichten in gebreke blijft of deze overtreedt. Deze pragmatische of, in godsdienstwetenschappelijke termen, “quietistische” benadering is kenmerkend voor de hoofdstroom van de islamitische geschiedenis.

 Aan het andere uiterste van de schaal staat echter een meer “activistische” benadering die stelt dat het “geloof” niet alleen door het wettige gezag op zijn zuiverheid kan en moet worden onderzocht, maar dat het ook nog “daadwerkelijk”, dat wil zeggen:  uit de verrichting van de “werken”, moet blijken. Hier ligt de grondslag van de doctrine van de takfîr, een begrip dat letterlijk betekent: het tot ongelovige verklaren, in gangbaar Nederlands: verkettering. Streng puriteinse richtingen als het Wahhabisme en daaraan verwante stromingen hebben sinds het einde van de 18de eeuw vele moslims langs deze weg tot ongelovigen verklaard en daarmee tegen hen onder meer een heilige strijdvoering (djihâd) gesanctioneerd. In deze gedachte, en zeker ook in grote invloed van het Wahhabitische Saoedi Arabië ligt de grondslag van de historische verkettering van sommige islamitische stromingen, zoals bijvoorbeeld die van Ahmadiyya. De visie binnen sommige extremistische groepen dat zelfs gehele staten en samenlevingen als ongelovig moeten worden bestempeld en een gewelddadige omwenteling daarvan is voorgeschreven, vindt eveneens in deze doctrine zijn historische wortels.

Overleg tussen Overheid en Moslims in Nederland

 Nog een praktische opmerking tot besluit. Wanneer de Nederlandse regering anno 2003 een weg zoekt om met een contactorgaan namens moslims in Nederland om de tafel te gaan zitten, kan zich op enig moment de vraag gaan voordoen wie wel en wie niet moslims zijn. Men kan hier te maken krijgen met de problematiek van de interne tolerantie in de islam, bijvoorbeeld wanneer sommige islamitische organisaties andere organisaties van deelname aan het betreffende orgaan zouden willen uitsluiten omdat zij vinden dat die andere organisatie(s) buiten de islam zouden vallen. Deze situatie doet zich thans in Nederland voor. Het is wellicht niet overbodig op te merken dat voor de godsdienstwetenschap allen die zichzelf in ernst tot de islam rekenen gelijkelijk aanspraak hebben op zodanige erkenning. Dit zal ook het standpunt van de overheid moeten zijn, die niet in staat is en ook niet bevoegd om te bepalen wie wel en wie niet moslim is.

 Waar de overheid op wettelijke gronden het contact met moslims alleen behoeft om praktische zaken van maatschappelijk belang te regelen waarbij een strikte neutraliteit in acht wordt genomen ten aanzien van alle zaken van godsdienstige aard, zal zij er nimmer in mogen berusten dat sommige stromingen of organisaties van deelname aan dit overleg zouden worden uitgesloten. Dit geldt ook voor de Ahmadiyya-beweging, evenals voor de uiteenlopende sjiďetische stromingen die in ons land vertegenwoordigd zijn. De juiste handelwijze is hier om het overleg te openen met die partijen die bereid zijn om er gezamenlijk en op constructieve wijze aan deel te nemen. Wie als voorwaarde tot deelname anderen wil uitsluiten, moet gaan beseffen zich daarmee in feite zelf van deelname uit te sluiten. Een betere en ook doeltreffender oplossing is er niet. Dit is het standpunt van de “civil religion” die wij als burgers en ingezetenen van dit land met elkaar gemeenschappelijk hebben.