|

| |
Het islamitisch
vasten
De instelling van het vasten of saum – het zich
onthouden van spijs en drank en sexuele gemeenschap, etc. van zonsopgang tot
zonsondergang – kwam in de Islam na die van het gebed. Eerst in Medina, in het
tweede jaar na de uittocht van de heilige profeet Mohammed, werd het vasten
verplicht gesteld en de maand ramadan voor dit doel afgezonderd. Daarvóór placht
de Heilige Profeet als een vrijwillige devotie op de 10e van de maand moharram
te vasten en hij beval ook zijn volgelingen op die dag te vasten. Die dag was
ook voor de Qoereisjieten, de stam waaruit de Heilige Profeet afkomstig was, een
vastendag. De oorsprong van het vasten in de Islam kan dus nagespoord worden tot
de tijd, toen de Heilige Profeet nog in Mekka was.
Het vasten is een
universele instelling
In de Heilige Qoer'aan wordt het onderwerp
vasten slechts op één plaats behandeld, namelijk in paragraaf 23 van het tweede
hoofdstuk. Bij andere gelegenheden wordt ook melding gemaakt van het vasten ter
vergoeding of fidiya in bepaalde gevallen.
Deze paragraaf 23
van hoofdstuk 2 van de Heilige Qoer'aan begint met de opmerking, dat de
instelling van het vasten een universele instelling is:
O gelovigen! Het
vasten is u voorgeschreven, zoals het degenen vóór u werd voorgeschreven, zodat
u tegen het kwaad zult hoeden.(HQ 2:183)
De waarheid van
de hier gegeven verklaring, dat het vasten 'degenen vóór u werd voorgeschreven',
wordt door de godsdienstgeschiedenis bevestigd. Het gebruik van het vasten is in
alle hogere, geopenbaarde godsdiensten nagenoeg algemeen erkend, hoewel er niet
in alle dezelfde nadruk op wordt gelegd en de vormen en motieven verschillen. In
de Encyclopedia Britannica staat: "De wijzen en motieven daarvan verschillen
aanmerkelijk, overeenkomstig de streek, het ras, de beschaving en andere
omstandigheden. Het zou echter moeilijk zijn enig godsdienststelsel te noemen,
waarin het (t.w. het vasten) helemaal niet erkend wordt". De leer van Confucius
is volgens de schrijver in de Encyclopedia Britannica de enige uitzondering.
Het tegenwoordige
Christendom moge niet veel waarde aan dit soort van godsdienstplichten hechten,
maar de Stichter van het Christendom vastte niet alleen zelf voor veertig dagen
en nam als een waar jood het vasten op de Verzoendag in acht, maar beval ook
zijn discipelen te vasten:
En wanneer gij
vast, toont geen droevig gezicht gelijk de geveinsden; ... Maar gij, als gij
vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht (Mattheüs 6:16,17).
Het schijnt, dat
zijn discipelen wel vastten, maar niet zo dikwijls als de discipelen van
Johannes de Doper. Toen hem daaromtrent gevraagd werd, antwoordde hij, dat zij
veelvuldiger zouden vasten, als hij weggenomen zou zijn (Lukas 5:33-35). Van de
eerste christenen wordt vermeld, dat zij vastten (Handelingen 13:2-3; 14:23).
Ook Paulus vastte (II Korintiërs 6:5; 11:27).
Nieuwe betekenis van het vasten
Dat men bij alle volkeren 'in dagen van rouw, smart en ongeluk' vastte,
wordt door de feiten bevestigd. Onder de joden in het algemeen werd het vasten
in acht genomen als een teken van droefheid of rouw. Zo wordt er van David
melding gemaakt, dat hij voor zeven dagen vastte gedurende de ziekte van zijn
jonge zoon (II Samuël 12:16-18). En als een teken van rouw wordt het vasten
vermeld in I Samuël 31:13 en elders.
Behalve de
Verzoendag, die door de Mozaïsche wet als een vastendag voorgeschreven werd – de
mensen moesten hun zielen 'kastijden', terwijl de priesters de verzoening deden
om hen van hun zonden te reinigen – kwamen na de Ballingschap verschillende
andere vastendagen in zwang 'ter droevige herdenking van de verschillende
droevige gebeurtenissen, die op de val van het koninkrijk Juda waren
uitgelopen'. Vier van deze werden vaste vastendagen, 'die het begin van het
beleg van Jeruzalem, de verovering van de stad, de verwoesting van de tempel en
de moord op Gedàlia herdachten'(Encyclopedia Britannica).
Het was dus in
het algemeen een zekere leed of droevige gebeurtenis, welker gedachtenis door
vasten werd bewaard. Het vasten van Mozes gedurende veertig dagen – welk
voorbeeld later door Jezus Christus gevolgd werd – schijnt de enige uitzondering
te zijn. En het vasten werd in dit geval in acht genomen bij wijze van
voorbereiding tot het ontvangen van een openbaring.
Het Christendom
leidde geen nieuwe betekenis in het vasten in. De woorden van Christus, dat zijn
discipelen veelvuldiger zouden vasten, wanneer hij uit hun midden zou zijn
weggenomen, staaft slechts het joodse begrip van het vasten, zoals het in
verband staat met nationale droefenis of rouw.
De gedachte die
aan dit vrijwillige lijden, in de vorm van vasten in dagen van rouw en ongeluk,
ten grondslag ligt, schijnt geweest te zijn een vertoornde Godheid te verzoenen
en erbarming in Hem op te wekken. Hieruit schijnt zich gaandeweg het denkbeeld
te hebben ontwikkeld, dat het vasten een boetedoening was, aangezien een leed of
een ramp toe te schrijven zou zijn aan zonde. Zo werd het vasten een zichtbare
uitdrukking van de door berouw teweeggebrachte verandering in het hart.
Eerst in de Islam
kreeg het gebruik een hoog ontwikkelde betekenis. Hij verwierp het denkbeeld van
het tot bedaren brengen van de Goddelijke toorn of het opwekken van Goddelijke
erbarming door vrijwillig te lijden volledig en introduceerde in plaats daarvan
een geregeld en onafgebroken vasten, ongeacht de toestand waarin de individu of
het volk verkeerde; evenals het gebed als een middel tot ontwikkeling der
innerlijke vermogens van de mens.
Hoewel de Heilige
Qoer'aan melding maakt van het vasten tot zoen of ter vergoeding in bepaalde
gevallen van schending van de Goddelijke Wet, zijn deze toch heel anders dan het
verplichte vasten in de maand ramadan en worden ze slechts vermeld als een
liefdadigheid te vervangen, zoals het spijzigen van de armen of het vrijlaten
van een slaaf.
Het vasten als
een instelling wordt hier tot een geestelijke, zedelijke en lichamelijke
discipline van de hoogste rang gemaakt. Dit wordt duidelijk aangetoond, zowel
door de verandering van de vorm als van het motief. Door de instelling permanent
te maken, wordt alle gedachte aan leed, ongeluk en zonde daarvan afgescheiden,
terwijl zijn wezenlijke doel duidelijk wordt aangetoond, nl. 'opdat u lieden u
zult hoeden (tattaqoen)'. Het woord ittiqa, waarvan tattaqoen is afgeleid,
betekent: het beschermen van een ding tegen hetgeen het (d.w.z. dat ding) kwaad
doet of benadeelt, of het beschermen van zichzelf tegen datgene, voor welker
kwade gevolgen gevreesd kan worden. Maar afgezien hiervan is het woord in de
Heilige Qoer'aan veelvuldig gebezigd in de zin van plichtsvervulling.
Een moettaqi is
volgens de Heilige Qoer'aan een persoon, die het hoogste stadium der geestelijke
ontwikkeling heeft bereikt. En daar het doel van het vasten is een moettaqi te
worden, ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat de Heilige Qoer'aan het vasten
beveelt met het doel, de mens tot het hoogste geestelijke stadium te doen komen.
Een geestelijke discipline
Het vasten is volgens de Islam in de allereerste plaats een geestelijke
discipline. Op twee plaatsen in de Heilige Qoer'aan worden degenen die vasten,
sa'ih of geestelijke reizigers genoemd. Volgens de lexicoloog Al-Raghib wordt
een persoon een sa'ih genoemd, wanneer hij zich niet alleen van spijs en drank
onthoudt, maar ook van alle soorten van kwaad.
Als de Heilige
Qoer'aan over de maand ramadan spreekt, maakt hij bepaaldelijk melding van het
nabij zijn tot God, alsof het een doel van het vasten was, en voegt daaraan toe:
Derhalve behoren zij aan Mijn roep gehoor te geven (door te vasten) en in Mij te
geloven, zodat zij de rechte weg (naar Mij) zullen bewandelen. Ook in de hadies
wordt bijzondere nadruk gelegd op het feit, dat het zoeken van Gods welbehagen
het uiteindelijke doel van het vasten moet zijn: 'Een ieder die gedurende (de
maand) ramadan vast, in Mij gelovende en Mijn welbehagen zoekende'. 'Allah's
Gezant – moge vrede en Gods zegeningen op hem rusten – zei: het vasten is een
schild; dat hij (d.w.z. de vastende) zich dus niet overgeve aan vuile taal... en
waarlijk, de adem van een vastende is Allah aangenamer dan de geur van muskus;
hij onthoudt zich van spijs en drank en andere begeerten om Mijn welbehagen te
zoeken: het vasten is voor Mij alleen' (Bocharie 30:2).
Geen verleiding
is groter dan de verleiding om honger te stillen en dorst te lessen, als men
eten en drinken heeft. Toch wordt deze verleiding overwonnen, niet een- of
tweemaal, als ware het bij toeval, maar geregeld, ieder dag weer, gedurende een
hele maand, met het bepaalde doel om nader en nader tot het Goddelijke Wezen te
komen.
Iemand kan in
staat zijn om het beste eten te gebruiken, maar hij verkiest hongerig te
blijven. Hij heeft de koele drank en toch versmacht hij van dorst. Hij raakt
spijs noch drank aan, eenvoudig omdat hij denkt dat het op Gods bevel is, dat
hij het niet moet doen. Er is in de verborgen hoeken van zijn huis niemand die
hem ziet, als hij een glas heerlijke drank in zijn droge en brandende keel giet,
toch heeft zich in hem het bewustzijn van het nabij zijn tot God dermate
ontwikkeld, dat hij geen druppel daarvan op zijn tong brengt. Telkens als hij
weer in verzoeking wordt gebracht, overwint hij haar, omdat er juist op het
kritieke ogenblik een innerlijke stem spreekt: 'God is met mij', 'God ziet mij'.
Geen devotie, hoe
innig ook, kan vanzelf zo'n bewustzijn van het nabij-zijn-tot-God en van zijn
alomtegenwoordigheid ontwikkelen, als het vasten dag aan dag gedurende een hele
maand. De Goddelijke tegenwoordigheid, die voor anderen een kwestie van geloof
moge zijn, wordt voor hem een werkelijkheid, en dit wordt mogelijk gemaakt door
de geestelijke discipline, die aan het vasten ten grondslag ligt. Een nieuw
bewustzijn van een hoger leven, een leven boven datgene wat door spijs en drank
in stand gehouden wordt, is in hem ontwaakt. En dit is het geestelijke leven.
Een zedelijke discipline
Aan het vasten ligt ook een zedelijke discipline ten grondslag, want het is
een oefenschool, waar de mens de grootste zedenles van zijn leven krijgt – de
les, dat hij eerder bereid moet zijn om de zwaarste ontbering te doorstaan en de
scherpste bezoeking te verduren, dan toe te geven aan hetgeen hem niet
veroorloofd is. Die les wordt van dag tot dag een maand lang herhaald en zoals
lichaamsoefening de mens lichamelijk sterk maakt, zo versterkt ook zedelijke
oefening door vasten – de werkzaamheid waardoor men zichzelf oefent in het
opzettelijk ontberen van alles wat niet geoorloofd is – de zedelijke kant van
zijn leven. De gedachte dat alles wat onwettig is, vermeden en het kwaad
verafschuwd moet worden, wordt zo door het vasten ontwikkeld.
Een andere zijde
van de zedelijke ontwikkeling van de mens door dit middel is, dat hem op die
wijze geleerd wordt zijn aardse lusten te overwinnen. Hij gebruikt zijn eten met
geregelde tussenpozen en dat is ongetwijfeld een wenselijke leefregel, maar het
vasten gedurende één maand in het jaar leert hem de hogere les, dat hij in
plaats van een slaaf van zijn lusten en begeerten te zijn, haar meester moet
zijn, aangezien hij zijn levenswijze kan veranderen, indien hij het wil. De
persoon die zijn begeerten kan beheersen, haar kan laten werken zoals hij wil en
in wie de wilskracht zo hoog ontwikkeld is, dat hij zichzelf meester is, heeft
ware zedelijke grootheid bereikt.
Sociale waarde van het vasten
Behalve zijn geestelijke en zedelijke waarde heeft het vasten, zoals het in
de Heilige Qoer'aan is voorgeschreven, ook zijn sociale waarde, doeltreffender
dan die welke door het gebed wordt verwezenlijkt.
De bewoners van
een en dezelfde buurt, rijk en arm, hoog en laag, worden vijfmaal per dag in de
moskee verenigd op voet van volkomen gelijkheid. Op deze wijze wordt door het
gebed gezonde sociale verhoudingen geschapen. Maar de verschijning van de maan
in de maand ramadan is een sein tot een reusachtige beweging, die zich niet tot
één buurt of zelfs tot één land bepaalt, maar op de gehele moslimse wereld
inwerkt.
De rijken en de
armen mogen in de moskee schouder aan schouder in een rij staan, maar thuis
leven zij in een verschillende omgeving. De rijken zitten aan tafel, beladen met
lekkernijen en hiermee overladen zij hun maag vier-, ja zelfs zesmaal per dag,
terwijl de armen niet genoeg kunnen vinden om hun honger slechts tweemaal per
dag te stillen. De laatsten voelen vaak de nijpingen van de honger, die de
eersten totaal vreemd zijn. Hoe kan de een voor de ander voelen en deelneming
met hem gevoelen? Er is in hun huizen een grote sociale slagboom tussen de twee
klassen en deze slagboom wordt alleen uit de weg geruimd, wanneer ook de rijken
de nijpingen van de honger hebben te voelen – zoals hun armere broeders – , en
voor een dag niets te eten krijgen en deze ondervinding hebben op te doen niet
gedurende een dag of twee, maar gedurende een hele maand. De rijken en de armen
over de gehele wereld worden op die wijze op dezelfde hoogte gebracht, aangezien
het hun beiden slechts vergund is per dag twee maaltijden te gebruiken. En al
mogen de maaltijden niet precies dezelfde zijn, toch moeten de rijken hun
spijslijst wel bekorten en een eenvoudiger spijs gebruiken. Zo komen zij hun
arme broeders meer nabij. De gedragslijn wekt in de harten der rijken
ongetwijfeld medegevoel met de armen op en om deze reden wordt er bepaaldelijk
voorgeschreven in de maand ramadan de armen te ondersteunen.
Fysieke waarde van het vasten
Het moge wel paradoxaal klinken, maar het zich met geregelde tussenpozen
onthouden van spijzen verhoogt slechts de eetlust. De rust, die aan de
spijsverteringsorganen gedurende een volle maand gegeven wordt, geeft ze slechts
meer kracht – zoals braakland door de rust produktiever wordt – daar alle
organen van het lichaam zo gemaakt zijn, dat rust hun arbeidsvermogen slechts
versterkt. En hoe beter het vermogen der spijsverteringsorganen is, des te
gezonder is de lichamelijke groei van de mens.
Het vasten heeft
echter nog een andere belangrijke fysieke waarde. Van iemand, die de
moeilijkheden van het leven niet onder ogen kan zien, die niet in staat is om af
en toe zonder zijn dagelijkse geriefelijkheden te leven, kan men niet zeggen,
dat hij zelfs lichamelijk geschikt is om op deze aarde te leven. Zodra zo iemand
in moeilijkheden of nood geraakt, zoals dat wel vaker het geval zal zijn,
begeven zijn krachten hem licht. Het vasten went hem eraan, de moeilijkheden van
het leven onder ogen te zien, daar het op zichzelf een praktische les tot dat
doel is en zijn weerstandsvermogen versterkt.
Bron: www.moslim.nl (Stichting
Ahmadiyya Isha’at-i-Islam)
|