|
|
De islam over de omgang met dieren Ter gelegenheid van Ied Ul Adha op 1 februari 2004, door de heer H. Badloe* Jaarlijks tijdens het offerfeest van de islam worden moslims in onze samenleving geconfronteerd met een grote dosis aan kritiek. Deze kritiek is gericht op het rituele slachten van dieren, zoals dat is voorgeschreven voor de moslim. Vaak wordt gesproken van dierenmishandeling en zelfs van ergerlijk dierenleed. Moslims worden afgeschilderd als barbaren en hun geloof wordt daarbij vernederd en hun profeet uitgemaakt voor een harteloze gek. De kritiekasters schrijven over de islam alsof zij de gehele Koran van buiten kennen zonder ooit het heilige boek te hebben gezien, of zelfs ooit maar een vers te hebben gelezen. Afgeven op de islam verkoopt immers erg goed.
Het offerfeest heeft niet bijster veel te maken met het doden van dieren. In Soerah Al Hadj (Hoofdstuk 22) vers 37 staat het volgende: Het vlees bereikt God niet, hun bloed evenmin, maar uw rechtschapenheid bereikt hem wel.
Het offeren van een dier heeft niets te maken met het vragen om vergiffenis of boetedoening. Het gaat om de diepere betekenis, namelijk de bereidheid van de mens om zichzelf op te offeren voor de waarheid van God ten dienste van de gehele mensheid. Het ultieme offer dat de Aartsvader Abraham bereid was te brengen ten teken van zijn volledige onderwerping aan de wil van de Almachtige.
Indien een moslim offert en daarbij niets anders ervaart dan het kunnen eten van een smakelijk stuk vlees, is zijn of haar offer tevergeefs. Een offer moet je voelen . De moslim moet beseffen dat de macht die hij heeft over het te slachten dier, niets is in vergelijking tot de macht die God over hem heeft.
Dat moslims geen gevoel zouden hebben voor dieren heeft in de Heilige Koran geen enkele basis. Integendeel de mens heeft de opdracht gehad van God om als zijn vertegenwoordigers op aarde barmhartig te handelen tegenover alle andere schepselen die hij heeft geschapen. In Soerah Al An’am (Hoofdstuk 6) vers 38 staat hierover het volgende: En er is geen dier dat op de Aarde loopt, en ook geen vogel die met zijn twee vleugels vliegt, of zij vormen geslachten (gemeenschappen) zoals u .
In gewone taal betekent het dat dieren leven in gemeenschappen net als de mens met hun eigen rechten en plichten. De mens staat dus niet boven de dieren maar vormen een gemeenschap naast die van de dieren.
Alle gemeenschappen die God heeft geschapen, ook van de dieren, gehoorzamen Hem. Soerah Al Hadj (Hoofdstuk 22) vers 18: Ziet u niet dat God Hij is, aan wie alles zich onderwerpt, wat in de hemelen is en al wat op Aarde is, en de zon en de maan en de sterren en de bergen en de bomen en de dieren en vele van de mensen.
De natuur is niet alleen voor de mens gemaakt maar behoort toe aan alle schepselen van God . Wij moeten ons, hun rechtmatig deel niet toe eigenen. De heilige Koran laat duidelijk zien dat voedsel en alle natuurlijke bronnen eerlijk verdeeld moeten worden tussen zijn schepselen.
Soerah ‘Abasa (Hoofdstuk 80) vers 24 - 32:
In tal van andere verzen wordt ons bevolen dat de natuur en haar bronnen bestemd zijn voor de mens en de dieren.
Het moet duidelijk zijn dat uit de Heilige Koran blijkt dat de moslims de rechten van het dier moet respecteren. Het niet nakomen hiervan is in de ogen van God een grote zonde en als zodanig strafbaar. Het eten van vlees is in de Heilige Koran toegestaan maar niet verplicht gesteld. Ook een moslim kan dus vegetariër zijn. Het eten van vlees en andere dierlijke producten wordt aan de moslims zelf overgelaten.
Er zijn zelfs enkele dieren in de Heilige Koran genoemd: In Al Khaf (Hoofdstuk 18) vers 18 wordt de hond genoemd als waker over de mens. Nergens in de Heilige Koran wordt de hond als vies, smerig of onrein aangeduid. Dit in tegenstelling tot verschillende authentieke overleveringen (sahie Hadies). Deze kunnen met een gerust hart naar het rijk der fabelen worden verwezen.
In Al Ghasjijah (Hoofdstuk 88) vers 17 lezen wij het volgende: waarom kijken zij niet naar de kamelen (ibil) en de wijze waarop zij geschapen zijn? Hiermee aangevend dat de kameel zijn wilskracht en perfecte instelling om te overleven onder barre omstandigheden als voorbeeld kan dienen voor de mens. Het woord “ibil” wordt soms ook vertaald als water dragende wolken.
De kameel wordt dan hiermee vergeleken. In An Noer (Hoofdstuk 24) vers 41 zegt God dat alles wat zich in de hemel en op aarde bevindt hem verheerlijken, zelfs de vogels met hun uitgespreide vleugels. Elk van hen kent het gebed. Ook in algemene zin spreekt God over mens en dier samen. In An Noer vers 45 staat: alle levende wezens zijn uit water geschapen . Sommigen kruipen op hun buik, anderen op twee of vier voeten. Ook hier wordt de mens genoemd naast de andere dieren.
Onder de wezens die op hun buik kruipen, vallen de reptielen (slangen, krokodillen, leguanen, wormen, schilpadden etc.). Ook zij behoren tot de schepping van God. De mens mag gebruik maken van dieren. In An Nahl (Hoofdstuk 16) staat
Ook de Profeet Mohammed (saw) heeft vaker gezegd : “Er is geen mens die zelfs maar een vogel of iets kleiner kan doden of God zal hem hierover ter verantwoording roepen”.
Het doden van een dier zonder reden is verwerpelijk en een grote zonde. “Als je moet doden doe het zonder marteling” Dit geldt ook voor de meest schadelijke en/of giftigste dieren.
Conclusie:
De goede behandeling van dieren komt de mens zelf ten goede. Jammer is het dat in de praktijk de moslims zelf, niet of nauwelijks aandacht schenken aan de door God vastgestelde regels en door de Profeet (vzmh) aanbevolen omgang met dieren.
* De heer Badloe is hoofddocent van het Nederlands Instituut ter Bevordering van Islam Studies (NIBIS), een onderdeel van ULAMON. Tevens is hij voorzitter van de Commissie Onderwijs en Voorlichting van AAII(L)N. |